Milieu & duurzaamheidklimaatweb.nl
Omgevingsvergunning voor wateractiviteit en beoordeling achteruitgangsverbod
) oordeelt de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat de omgevingsvergunning waarmee toestemming is verleend voor het storten van baggerspecie in het Lauwersmeer niet zorgvuldig heeft voorbereid en niet goed heeft gemotiveerd. Op grond van de verleende omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit bij een waterstaatswerk mag de provincie elders uitgegraven baggerspecie storten in zogeheten stortputten die in beheer zijn bij Rijkswaterstaat. Die vergunning wordt op grond van art. 8.84 Besluit kwaliteit leefomgeving (“Bkl”) alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de in het wetsartikel vermelde belangen c.q. oogmerken van het waterbeheer. In de procedure bij de voorzieningenrechter is in geschil of de minister de gevraagde vergunning mocht verlenen. Volgens de verzoekers om voorlopige voorziening is dat hier niet het geval en handelt de minister in strijd met het achteruitgangsverbod en de verbeterdoelstelling van art. 4, eerste lid, aanhef en onder a, Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG, “KRW”). De voorzieningenrechter geeft hen daarin gelijk. Volgens de voorzieningenrechter heeft de minister de omgevingsvergunning in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel verleend, omdat niet objectief is aangetoond dat de vergunde activiteit niet leidt tot (kort gezegd) een verslechtering van de ecologische en chemische toestand van het oppervlaktewater (als bedoeld in art. 8.84, derde en vijfde lid, Bkl). De voorzieningenrechter acht dat, mede tegen de achtergrond van het zogenoemde Wezer -arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ EU”) van 1 juli 2015,

Je gaat naar de website van de uitgever. Hier tonen we alleen een korte intro.

