BinnenlandFiscaal up to date
Tickethandel in sportevenementen via Viagogo belast als ROW - Fiscaal up to date
X kocht in 2016, 2017 en 2018 via verschillende websites tickets voor diverse evenementen, vooral sportevenementen. Deze tickets bood hij vervolgens ter verkoop aan via “Viagogo”, een online marktplaats voor tweedehandstickets voor live evenementen. Naar aanleiding van een onderzoek naar belastingplichtigen die bedragen hadden ontvangen vanaf een rekening van een buitenlandse Payment Service Provider, vroeg de inspecteur X om informatie, vanwege de betalingen die hij had ontvangen van Viagogo. X antwoordde dat hij met de handel in tickets geen resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) had behaald dat normaal actief vermogensbeheer te boven gingen. Verder verstrekte hij desgevraagd informatie over de in 2016 en 2017 in het buitenland aangehouden bankrekeningen met saldi van € 348.759 (2016) en € 313.309 (2017). De inspecteur legde over 2016 en 2017 navorderingsaanslagen op voor de bankrekeningen. Toen hij erachter kwam dat de ROW in verband met de handel in de tickets daarin niet waren meegenomen, legde hij tweede navorderingsaanslagen over 2016, 2017 en 2018 op met 25% vergrijpboeten over 2016 en 2017. X ging in beroep. Rechtbank Noord-Nederland stelde voorop dat X en de inspecteur het erover eens waren dat X de vereiste aangifte niet had gedaan en dat daarom sprake was van omkering en verzwaring van de bewijslast. Het was ook niet in geschil dat X met de handel in tickets had deelgenomen aan het economische verkeer en met deze handel had beoogd een voordeel te behalen. Wél in geschil was of sprake was van een objectieve voordeelsverwachting. X stelde dat de tickethandel speculatief van aard was, maar de Rechtbank was dat niet met hem eens. Belaste transactievoordelen onderscheidden zich van (onbelaste) speculatievoordelen, doordat belaste transactievoordelen het gevolg waren van beïnvloeding door de activiteiten van een belastingplichtige en speculatiewinsten niet. Volgens de Rechtbank waren de resultaten die X had behaald met aan- en verkoop van tickets niet het gevolg van speculatie, maar was het redelijkerwijs voorzienbaar dat X met de aan- en verkoop van de tickets vermogenswinsten zou behalen. X had ook op de zitting verklaard dat hij niet lukraak tickets kocht, maar dat hij specifiek tickets had gezocht voor vooral (meerdaagse) sportevenementen, omdat hij – naar verloop van tijd steeds meer op basis van eigen ervaringen – wist dat het risico op niet-verkoop van tickets daarbij klein(er) was. Volgens de Rechtbank was de doorverkoopmarkt voor tickets voor evenementen in het algemeen lucratief, omdat de vraag het aanbod van tickets voor evenementen sterk oversteeg en de prijzen van tweedehandskaarten veel hoger lagen dan die van de oorspronkelijke tickets. De Rechtbank besliste dat het geheel van de werkzaamheden van X normaal actief vermogensbeheer te boven ging. Het online inkopen van de tickets via verschillende websites en het verkopen van deze tickets via Viagogo had een voordeel opgeleverd dat kon worden verwacht. De Rechtbank besliste vervolgens dat de inspecteur bevoegd was om de (tweede) navorderingsaanslagen over 2016 en 2017 op te leggen omdat sprake was van een kenbare fout in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR. Gelet op de communicatie tussen X en de inspecteur over de na te vorderen bedragen van de niet-aangegeven buitenlandse bankrekeningen en de handel in tickets vond de Rechtbank het aannemelijk dat medewerkers van de Belastingdienst langs elkaar heen hadden gewerkt en niet de juiste informatie in het aanslagsysteem van de Belastingdienst hadden ingevuld waardoor de eerste navorderingsaanslagen over 2016 en 2017 waren opgelegd, zonder de aangekondigde correcties en de boeten met betrekking tot de resultaten uit de handel in tickets. Uit de brief van de inspecteur van 15 december 2020 bleek overduidelijk dat hij de intentie had gehad ter zake van het resultaat uit de handel in tickets navorderingsaanslagen over de jaren 2016 tot en met 2018 en daarbij vergrijpboeten op te leggen. De Rechtbank besliste dat geen sprake was van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht, maar van een fout bij de verwerking van de op te leggen navorderingsaanslagen door het langs elkaar heen werken van de medewerkers van de Belastingdienst. Zo’n fout was volgens de Rechtbank aan te merken als een fout in de zin van artikel 16, lid 2, onderdeel c, AWR. Deze fout was volgens de Rechtbank X ook kenbaar geweest omdat hij in één oogopslag had kunnen zien dat de (eerste) navorderingsaanslagen IB 2016 en 2017 van 23 januari 2021 geen box 1 correcties – en ook niet de aangekondigde boeten – bevatten. De Rechtbank besliste dat de navorderingsaanslagen 2016, 2017 en 2018 terecht waren opgelegd. De Rechtbank handhaafde ook de vergrijpboeten omdat X niet kon en mocht menen dat de resultaten uit de handel in tickets geen belastbaar ROW vormden. De Rechtbank verklaarde het beroep van X ongegrond.
Je gaat naar de website van de uitgever. Hier tonen we alleen een korte intro.