BinnenlandFiscaal up to date
Rentevergoeding voor gemeenten na onterechte BTW-naheffing - Fiscaal up to date
De gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk (BAR) maakten deel uit van de Gemeenschappelijke regeling BAR. De BAR had over haar prestaties aan de gemeenten in 2014 en de eerste helft van 2015 geen BTW in rekening gebracht, omdat volgens haar hierop de BTW-koepelvrijstelling van toepassing was. De inspecteur was het daar niet mee eens en legde naheffingsaanslagen BTW op van € 8.573.078 (2014) en € 4.223.290 (2015). In 2018 sloten de BAR, de gemeenten en de inspecteur een vaststellingsovereenkomst waarin werd afgesproken dat de naheffingsaanslagen vernietigd zouden worden en dat belastingrente, invorderingsrente en eventueel andere van toepassing zijnde rente werd berekend conform de wettelijke bepalingen. Over de vervolgens aan de BAR terugbetaalde BTW vergoedde de ontvanger geen invorderingsrente. De BAR ging in beroep en stelde dat de naheffingsaanslagen in strijd met het Unierecht waren opgelegd en zij daarom recht had op vergoeding van invorderingsrente. Rechtbank Den Haag stelde de BAR in het ongelijk, maar Hof Den Haag was het met de BAR eens. Het Hof leidde uit het arrest Commissie-Luxemburg van het EU-Hof van Justitie af dat de koepelvrijstelling ook op een deel van de tussen de BAR en de BAR-gemeenten overeengekomen diensten mocht worden toegepast. De nuttige werking zou aan de koepelvrijstelling worden ontnomen als deze alleen van toepassing was indien het geheel van de overeengekomen diensten kon worden aangemerkt als prestaties die voor deze vrijstelling in aanmerking kwamen, zonder de mogelijkheid ook andere diensten te verlenen. In zo’n situatie moesten de diensten worden gesplitst in een deel dat wel, en een deel dat niet onder de koepelvrijstelling viel. Het deel dat wel onder de koepelvrijstelling viel, bestond uit: (1) de werkzaamheden waarvoor de BAR-gemeenten geen belastingplichtige waren en (2) de diensten die vielen onder artikel 132 BTW-Richtlijn 2006. Het Hof wees hierbij op het Aviva-arrest van het EU-Hof. Het Hof concludeerde dat de BAR op 90% van haar handelingen de koepelvrijstelling mocht toepassen en dat 90% van de nageheven BTW in strijd met het Unierecht was geheven. Anders dan de ontvanger stelde, lag de lat bij het oordeel of belasting was geheven in strijd met het Unierecht volgens het Hof niet heel hoog. Voldoende was dat de teruggaaf niet binnen een redelijke termijn was geëffectueerd en de betreffende belastingplichtige hiervan nadeel ondervond. De oorzaak van de teruggaaf maakte niet uit, het maakte geen verschil of dit bijvoorbeeld een onjuiste interpretatie van de Belastingdienst of een vergissing van de belastingplichtige betrof of welk artikel in de BTW-Richtlijn 2006 van toepassing was. Het Hof leidde vervolgens uit het technoRent-arrest van het EU-Hof af dat het een zuiver financiële kwestie was, los van de verwijtbaarheid aan de kant van de betrokkenen. Het Hof paste vervolgens een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 28 januari 2022 toe voor de berekening van de te vergoeden invorderingsrente. De periode waarover de invorderingsrente moest worden vergoed, ving volgens het Hof aan op het moment dat de naheffingsaanslagen waren betaald, te weten op 1 december 2015 respectievelijk 1 januari 2016, en eindigde in beide gevallen op 2 januari 2019, de dag waarop de BAR de teruggaven had ontvangen. Het in het arrest van 28 januari 2022 bedoelde percentage was volgens de grafiek van de Nederlandsche Bank (DNB) op 1 december 2015 4,67 en op 1 januari 2016 4,63. Dit betekende dat de ontvanger de te vergoeden invorderingsrente moest berekenen als 4,67% enkelvoudig over 90% van € 8.896.949 (naheffingsaanslag 2014) over de periode 1 december 2015 tot 2 januari 2019 en 4,63% enkelvoudig over 90% van € 4.233.290 (naheffingsaanslag eerste helft 2015) over de periode 1 januari 2016 tot 2 januari 2019. Het Hof besliste tot slot dat het in deze procedure geen uitspraak kon doen over het verzoek van de BAR om vergoeding van vertragingsrente wegens de te late vergoeding van invorderingsrente. De ontvanger moest hierover eerst een besluit nemen.
Je gaat naar de website van de uitgever. Hier tonen we alleen een korte intro.
